Hoe de Nederlandse weg in elkaar zit
Deze eerste les gaat niet over regels, maar over woorden. Bijna elke regel in het RVV begint met «op de rijbaan», «op het fietspad», «op een erf» — en als je die delen niet uit elkaar houdt, is er niets om de regel op toe te passen.
De weg is meer dan het asfalt voor auto’s
Weg is het geheel: rijbaan, berm, fietspad, trottoir. Rijbaan is alleen het deel waar voertuigen rijden. Dat verschil is niet taalkundig: de parkeerverboden staan geschreven over de rijbaan, de voorrang voor voetgangers over de oversteekplaats op de weg.
| Deel | Wie rijdt hier |
|---|---|
rijbaan | auto’s, motoren, brommobielen |
fiets/bromfietspad | fietsen en bromfietsen |
verplicht fietspad | fietsen; de bromfiets hoort er niet |
trottoir | voetgangers |
Meer per woord in de woordenlijst en bij het fietspad.
Probeer zelfplaats op de weg →40 vragen
De bebouwde kom begint bij een bord, niet bij de huizen
Bebouwde kom is niet «waar gebouwd is», maar het stuk tussen bord H01 en bord H02. Binnen geldt de ene set maximumsnelheden, buiten de andere; huizen doen er niet toe.
Borden: H01 — begin en H02 — einde.
Probeer zelfsnelheid →86 vragen
Het erf is een wereld apart
Het erf (bord G05) zet het gewone beeld op zijn kop: de voetganger mag de hele breedte gebruiken, je rijdt stapvoets en je parkeert alleen in de vakken. Geen «binnenplaats», maar een volwaardig regime met een eigen begin- en eindbord.
Probeer zelferf en woonerf →27 vragen
Wat je onthoudt
Voordat je uitzoekt wie voorrang heeft, beantwoord twee vragen: op welk deel van de weg rijd ik, en ben ik binnen of buiten de bebouwde kom. De helft van de fouten op het examen is een juiste regel op het verkeerde wegdeel.